Impact op brussen

De situatie waarin broers en zussen van zorgintensieve kinderen opgroeien is gewoon én bijzonder. Broers en zussen van zorgintensieve kinderen worden ook wel brussen genoemd.

Positieve kanten

Kinderen die opgroeien met een broer of zus die extra zorg nodig heeft kunnen hier veel kracht uit halen. Zij zeggen zelf bijvoorbeeld dat ze veel meer open staan voor mensen die ‘anders’ zijn. Ook kunnen ze meer genieten van kleine dingen. Brussen vertellen dat ze sneller zelfstandig en volwassen zijn geworden. Ze weten vaak beter hoe ze goed voor anderen kunnen zorgen.

Kans op problemen

Brussen moeten met alle verantwoordelijkheden die zij hebben leren om nee te zeggen. Als zij dit niet doen, hebben zijn namelijk meer kans op problemen dan andere broers en zussen. Denk bijvoorbeeld aan:

  • zich eenzaam voelen;
  • het lastig vinden om hun eigen ruimte in te nemen;
  • moeite hebben met grenzen stellen;
  • problemen op school;
  • moeite hebben met vriendschappen.

Soms ontstaan er ernstige problemen zoals een depressie, een eetstoornis, of een dwangneurose.

Gevoelens van broers en zussen

Ook broers en zussen kunnen boos of verdrietig zijn over de beperking, ziekte of stoornis. Misschien hadden zij een bepaald beeld van hun broer of zus. Iemand om mee te spelen, een potje mee te voetballen. Brussen kunnen het lastig vinden als hun broer of zus er anders uitziet of zich anders gedraagt. Ze kunnen zich voor de handicap schamen. Broers en zussen gaan, net als ouders, door een rouwproces.

Je kind laat lang niet altijd merken dat hij of zij het moeilijk vindt om in een zorgintensief gezin op te groeien. Kinderen vinden bijvoorbeeld dat zij niet boos mogen zijn op zichzelf. Hun broer of zus kan er ook niets aan doen. Vaak willen ze jou als ouder niet lastig vallen, want jij hebt het al zwaar genoeg. En waarom zouden dan hun ‘kleine problemen’ belangrijk genoeg zijn?

Signalen dat er meer aan de hand is

Je kunt aan verschillende klachten en gedragingen zien dat er meer aan de hand is. Let bijvoorbeeld op:

  • lichamelijke klachten als buikpijn, hoofdpijn of bedplassen;
  • weinig (goede) vriendschappen;
  • problemen op school;
  • een terugval in de ontwikkeling;
  • woedebuien en opstandig gedrag;
  • experimenteergedrag bij pubers rond seks, drank en drugs.

Het is goed om op dit soort signalen te letten en met je kind te blijven praten. Plan hier een moment voor in. Een goed moment kan zijn als je samen met iets bezig bent: onderweg in de auto of tijdens het samen spelen. Op die manier hoeft je kind jou ook niet perse aan te kijken, dit maakt het praten soms makkelijker. Het helpt brussen als ze weten dat ze boos kunnen zijn op de ziekte, handicap of stoornis, en tegelijkertijd toch van hun broer of zus kunnen houden.